Gelukt!

O jee! Het is weer gelukt hoor.
Al dagenlang hoorde ik een zacht gefluister in mijn hoofd. Vanavond zwol dat aan tot gedrein en nu?
Ja hoor! Een nieuw verhaalidee. En wat voor één. Een heftig, verdrietig verhaal. De titel is er één die mijn man onlangs bedacht, zonder dat ik dus een verhaalidee had.

Toch parkeer ik het nieuwe verhaal opzij om het een half jaar te laten mopperen en sudderen. Eerst moet ‘María’ af!

Schrijven vs schrijven

Ik ben dol op schrijven. Logisch, anders was ik geen schrijver geworden. Toch zijn er momenten dat ik vloekend en tierend, zuchtend en mokkend achter mijn computer zit. Dat is op momenten dat een scène niet wil, personages dwars zijn of – en dat is vooral de laatste tijd natuurlijk – als ik lastige stukken moet schrijven als een flaptekst, dankwoord, persbericht, korte biografie over mezelf, stukjes voor op mijn website. Dat soort zaken zijn zeg maar niet mijn ding (ja, foute uitdrukking die ik juist daarom regelmatig gebruik 😉 ).
Goed, op het persbericht na ben ik met bovenstaande hersenbrekers klaar, dus ik mocht van mezelf even los vanmorgen. Ik haalde ‘Esmee’ weer eens tevoorschijn en boog me over een heerlijke scène waarin Esmee zich volop van haar slechte kant laat zien. Ik moet zeggen: dat gaat me een stuk makkelijker af. Schrijven werd weer leuk, ík stuiterde door het huis, i.p.v. het meubilair. Misschien ga ik er morgen nog maar even mee verder, voordat ik het persbericht van ‘Zinloze vrouw’ bezoedel met stukken misdadige tekst. 😉

Met frisse blik?

Sommige schrijvers zweren erbij hun verhalen een (hele) poos te laten liggen, om er later met een frisse blik naar te kunnen kijken. Een poosje kan ook voor mij inderdaad goed werken, maar dan praat ik over één, hooguit twee weken. Niet drie maanden, zoals nu (noodgedwongen) bij María. Dat werkt dus totaal niet. Dan is mijn blik op het verhaal niet fris, maar vertroebeld. Met ontzettend veel moeite en nog meer doorzettingsvermogen kom ik weer een beetje in het verhaal.

Ik moet al mijn schrijftips uit de kast halen om de personages weer te zien, te voelen, te horen. Stukken hardop teruglezen, de bio’s van alle personages doornemen en waar nodig aanvullen. In gesprek gaan met de personages, over het verhaal, maar ook over dagelijkse dingen, zodat ik ze nog beter leer kennen. Elke dag – al is het maar heel even – bezig zijn met het manuscript. Eigenlijk komt het er op neer dat een deel van mij bestaat uit het verhaal en de personages. Of ik nou met de kinderen bezig ben, eten kook, boodschappen doe, douche, of op de fiets zit… María, Noa, Max, Miguel en de bijpersonages zijn bij me, in me. Ik moet alert zijn omdat ze ineens iets kunnen zeggen dat van groot belang is.

Gisteravond (ja, ja, onder de douche) was het voor het eerst na een week dat ik een stukje verder kwam. Dat wil zeggen: er werden wat knelpunten duidelijk, nu moet ik die nog zien op te lossen. Had ik ergens al geschreven dat schrijven ook puzzelen is? Ik weet nu wat ik wil, maar niet hoe. Totaal geen idee hoe ik een belangrijk punt aan moet pakken. Behalve puzzelen is schrijven dus ook worstelen. Maar schrijven is ook leuk! Het is creëren, boetseren, ontdekken, de diepte ingaan, en heel hard juichen als je na lang zoeken, wikken en wegen de oplossing hebt voor een struikelpunt(je). Dan zoef je met energie voor tien vooruit.

Af!

AF! En dit keer echt. ‘Zinloze vrouw’ heeft er tijdens de laatste grote herschrijfronde bijna 10.000 woorden (ong. 35 boekbladzijden) en twee (bij)personages bij gekregen. De feiten zijn geverifieerd, onlogische stukken zijn een stuk logischer, maar het verhaal is inhoudelijk niet veranderd. Het is nog steeds een heftig, maar mooi verhaal. Vind ik. Hopelijk de uitgever – waar het manuscript nu lig – ook.

Ik zocht naar een fragment om hier neer te zetten, maar dat is zo lastig. Ik wil alles wel laten lezen en tegelijk niet te veel prijsgeven. Als je toch nieuwsgierig bent, klik dan door naar dit blogje waar ik eerder twee fragmenten uit ‘Zinloze vrouw’ neerzette.

Goliath (hoofdstuk 1)

Net als ‘Marein‘ is ‘Goliath’ ook een oefenmanuscript. Ik vind het een beter verhaal dan ‘Marein’, de personages zijn meer uitgewerkt en ik ben dol op de eigenzinnige David van veertien en zijn maffe vriendin Masja, de twee hoofdpersonen.
Ik heb besloten ook dit verhaal niet echt uit te (laten) geven, maar zelf te publiceren. Waarschijnlijk maak ik er een e-book/pdf van. In elk geval: wie het wil lezen, laat even een reactie achter of stuur een berichtje via het contactforumulier, dan mail ik het verhaal door.

Het verhaal (voor kinderen vanaf 12 jaar) gaat over David. Een eenzame jongen die er stiekem wel trots op is anders te zijn dan zijn klasgenoten. Hij ontmoet Masja, ook een eenling. Zij dringt zich min of meer aan hem op, maar eigenlijk vindt hij dat wel leuk.
Aan het begin van het verhaal krijgt David een telefoontje van een onbekende beller. Hij wordt gewaarschuwd en die waarschuwing blijkt te maken te hebben met een groot aantal vermissingen van leeftijdsgenootjes van de laatste tijd. Samen met Masja ontdekt hij meer dan hem lief is.

Hoofdstuk I

“Kan het wat zachter,” brult zijn moeder de kamer in.
“Nee,” mompelt David zonder zich naar haar toe te draaien en hij zet de volumeknop hoger. De zucht van zijn moeder gaat verloren in de aanzwellende violen, ondersteund door pauken. Hij krijgt kippenvel als even later de sopraan inzet. Het Requiem van Mozart is mooi, het is kunst en iedereen die dat niet snapt is verpest door deejays die de meest smakeloze artiesten aankondigen als grote wereldsterren.
Hij pakt de spullen die hij mee wil nemen naar zijn vader en bladert door zijn agenda om te zien wat zijn huiswerk voor maandag is. Boeit niet, is zijn conclusie terwijl hij de agenda dichtklapt. Het enige wat hij nog wel moet doen is een boek lezen en een verslag maken. Ironisch dat juist de verplichte boeken die je voor school moet lezen er eerder voor zorgen dat je een ongeneeslijke hekel aan lezen krijgt dan dat ze je interesse voor literatuur aanwakkeren.
Zijn mobiel gaat. Hij kijkt op het schermpje, een onbekend nummer, net als gisteren en vanmorgen. Even aarzelt hij, dan zet hij de muziek uit en neemt op: ”Met David.” Doordat hij een poos niet gesproken heeft, is zijn stem wat schor.
“Pas op voor hem,” klinkt een mannenstem.
“Voor wie? Wie ben je?”
“Er dreigt groot gevaar. Je bent gewaarschuwd. Hij is dichterbij dan je denkt.” De verbinding wordt verbroken. David staart naar zijn mobiel. Er gaat een rilling over zijn rug. Welk gevaar? Waar gaat het over? Er zijn niet veel mensen die zijn telefoonnummer hebben en eigenlijk wordt hij alleen door Sam gebeld en door zijn moeder als ze iets te zeuren heeft. Vast verkeerd verbonden, denkt hij en zet de muziek weer aan, een tikje harder om het rare gevoel in zijn buik weg te dreunen. Toch lukt het hem niet zijn gedachten weg te drukken.
“Je vader is er.” Dit keer stámpt zijn moeder de kamer binnen, moppert wat, zet de cd-speler uit, botst tegen een laaghangende planeet, struikelt over een krukje met daarop restanten van de pizza van de vorige dag en begint het zuchtend op te ruimen. “Je vader is er, heb je me gehoord?” sist ze.
Als antwoord rolt David met zijn ogen, pakt zijn rugzak en sloft de trap af. “Ha Bram,” begroet hij zijn vader, die net een blik op zijn horloge werpt.
“Hallo, jongen. Kom snel mee, ik moet vanavond nog even weg.”
“Werk?”
Zijn vader bromt iets wat zowel ja als nee kan zijn; David houdt het op ‘ja’, aangezien het meestal om werk gaat als hij weg moet.
“Zeg je moeder gedag, dan gaan we.”
“Gedag moeder,” roept David semi-gehoorzaam richting zijn moeder voordat hij de deur achter zich dichttrekt. Zo, rust. De rest van het weekend geen gemopper meer over ‘de jeugd van tegenwoordig’, geen gezeur over huiswerk en geen gedram over naschoolse activiteiten. “Schatje, lijkt het je niet eens leuk een klasgenoot mee naar huis te nemen? Iemand anders dan Sam? Hij is toch niet je enige vriend?” Hij gruwelt aan het toontje waarop zijn moeder hem in een sociaal leven probeert te drukken. In gedachten is zijn antwoord altijd hetzelfde: Het zit er gewoon niet in, mam, mijn klasgenoten zijn dom en stom, daar verspil ik mijn tijd niet aan.

 De villa van zijn vader ademt ruimte, net als de lap grond eromheen. David loopt over het grindpad langs de keurig bijgehouden heggetjes naar de voordeur. Hij huivert omdat Goliath – het grimmige standbeeld dat pontificaal voor het huis staat – door hem heen lijkt te kijken met zijn koude blik.
“Wat sta je te treuzelen, David. Kom binnen, zoveel tijd heb ik niet vanavond.”
Het is David een raadsel waarom zijn vader het woord ‘vanavond’ aan zijn zin toevoegt, aangezien hij nooit tijd heeft. Zijn vader werkt bij de Nationale Recherche en houdt zich op dit moment bezig met een paar ernstige vermissingszaken van kinderen. Hij vertelt er nauwelijks over, maar David is niet wereldvreemd en heeft online al verschillende Amber Alerts zien langskomen.
“Wat eten we?” David hangt zijn jas netjes aan de kapstok. Thuis gooit hij zijn jas vaak in een hoekje op de grond, wat altijd een grappig commentaar oplevert van zijn moeder.
“Stamppot boerenkool. Ik gooi het zo in de magnetron, want …”
“Ja, ja, je hebt niet veel tijd, vanavond.”
“Nog huiswerk te doen?” vraagt zijn vader, terwijl hij zijn telefoon pakt.
David bespaart zich de moeite van antwoord geven en loopt naar de keuken om wat drinken. Als hij een paar flinke slokken sinas uit de fles heeft gedronken, gaat hij terug naar de woonkamer. O nee, het schijnt dat je zo’n enorm grote leefruimte heel chic de ‘living’ moet noemen. Een woonkamer is het inderdaad niet, voor Davids gevoel, want daar stelt hij zich wat gezelligers bij voor. Zelfs een vaste telefoon voor een mogelijk gezelliger contact met de buitenwereld ontbreekt hier. Zijn gedachten dwalen af naar de mysterieuze beller. Waarvoor zou iemand hem willen waarschuwen? Zou het te maken hebben met zijn vaders werk? Met de vermiste kinderen?
“Hoe is het met dat meisje?”
David schrikt op. “Meisje? Welk meisje?”
Bram buldert van het lachen. “Zijn het er zoveel dat je niet weet over wie ik het heb?” vraagt hij met een vette knipoog. “Kom, je weet wel, van die botsing, zeg maar gerust botsingen.”
Tegen wil en dank wordt David rood. Hij herinnert zich een stomme confrontatie met een meisje van zijn school. Ze zit een klas hoger en heeft een rare naam, die hem doet denken aan een automerk. Twee weken geleden botsten ze op de parkeerplaats voor school tegen elkaar aan. Zij liet haar boeken vallen en terwijl David haar hielp ze op te ruimen, kwamen ze beiden tegelijk overeind waardoor ze weer tegen elkaar aan knalden, tot hilariteit van zijn vader – die hem bij uitzondering uit school kwam halen. Typisch iets voor Bram om ze voor het leven aan elkaar te koppelen.
Weer die irritante veel te luide neplach van iemand die lang geleden vergeten is hoe het is om echt lol te hebben.
“Geeft niks vent, rood staat je goed,” zegt Bram.
Mazda, Masja. Dat was het. Ze lijkt een stoere meid, maar David vindt haar lachwekkend met haar aanstellerige uiterlijk. Ze draagt flodderige kleren en van die militaire kistjes. Haar haren zijn aan de zijkanten kortgeschoren, de rest draagt ze vaak los. Hij kan zich niet herinneren dat ze ooit een woord met hem heeft gesproken, zelfs niet toen ze tegen elkaar aan botsten en hij haar probeerde te helpen. Stomme trut.
Nog voor hij aan zijn vader kan vragen hoe het met hém en de meisjes gaat, is Bram de kamer alweer uitgelopen. David haalt zijn schouders op en zet de tv aan.
Niet veel later vertrekt Bram en eet David in zijn eentje op de harde, rechte bank zijn bord boerenkool leeg. De gaarkeukenstamppot smaakt hem niet. Hij zapt nog eens langs alle zenders. Praatprogramma’s en shows domineren het scherm en hij zet de televisie uit.
Het voelt alsof er een klomp ijs in zijn maag ligt. Sommige mensen zijn zo sociaal-onhandig dat ze wat hem betreft nooit aan kinderen hadden moeten beginnen. Hij smijt de afstandsbediening tegen de muur, het klepje valt eraf en de batterijen rollen over de grond. Het lucht niet op. David staat op en trapt tegen het tv-meubel. Hier voelt hij zich opgesloten, hij moet naar buiten, de tuin in.
Voor het geval dat de mysterieuze beller weer van zich laat horen, stopt hij zijn mobiel in zijn jaszak. Heel even heeft hij spijt als hij de deur achter zich dicht trekt. De ijzige wind waait via zijn gezicht zijn kierende jas in. Jammer dat het bewolkt is, er is geen ster te zien. Het heelal fascineert hem al zolang hij zich kan herinneren. Het idee dat ze op een klein bolletje in de oneindige, grotendeels lege ruimte hangen is indrukwekkend en ook een beetje eng. Wat zou hij graag astronaut worden en op een missie naar de zon gaan, iets wat nog nooit door mensen gedaan is, al vindt hij een maanlanding ook wel een interessant begin van zijn ruimtevaartcarrière. Regelmatig spoken er allerlei angstaanjagende gedachten door zijn hoofd over de vernietiging van de aarde.
David rilt en duikt dieper weg in zijn jas. Hij stampt flink door, werpt een boze blik op Goliath, raapt een kiezelsteentje van de grond en smijt het tegen het beeld aan. Behalve een harde ‘ploink’ in de stilte, gebeurt er niets. Hij loopt door naar de achtertuin. Daar in de wildernis voelt hij zich beter.
Brams obsessie voor standbeelden is niet te ontkennen, de tuin staat er vol mee. De meeste zijn replica’s, maar er staan ook enkele originele werken van minder bekende kunstenaars tussen. David vindt ze fascinerend en foeilelijk tegelijk. Hij denkt weleens dat zijn vaders bezetenheid van de beelden – alleen maar mensfiguren – te maken heeft met een zekere machtsverhouding; de beelden is hij de baas. Of zou het kille van de beelden hem aanspreken?
Automatisch loopt hij op het Davidsbeeld af, struikelend over de uitstekende takken en afgezaagde boomstronken. Met zijn handen diep in zijn zakken tegen de kou blijft hij naar het beeld staan kijken. Hij heeft het nu al verschillende keren gezien en weet niet goed wat hij ervan moet vinden. Het is een vriendelijker beeld dan dat van Goliath. Maar of hij zijn naamgenoot sympathiek vindt, daar kan hij geen zinnig woord over zeggen. Wat is een beeld nou helemaal. Een stuk steen dat met holle ogen een beetje arrogant de wereld in staart. De aarde is bevroren, maar duidelijk niet lang voor de vorstperiode omgespit. De tuinman van Bram is wel heel ijverig om zelfs in de wintermaanden in de tuin te werken. Het zal wel goed zijn voor de natuurkrachten, voor de vogels die zo gemakkelijker bij de wormen kunnen komen of wellicht is het goed voor de beelden, maar enigszins overdreven lijkt het David wel.
Hij draait zich om, loopt verder en struikelt over een uitstekende wortel. “Auw! Verdomme.” Hij staat op en wrijft over zijn linkerbil die zo te voelen binnenkort een blauwe plek rijker is. Spuugzat is hij het. Het was de bedoeling om zijn hersens wat frisse lucht te geven en zijn stramme spieren wat beweging, maar de ergernis is groter dan alle nobele plannen en zo snel als de duisternis en alle in de weg staande beelden het toelaten loopt hij naar huis terug. Terwijl hij zijn voeten veegt, gaat zijn mobiel. Nieuwsgierig vist hij het apparaat uit zijn zak en kijkt op het schermpje. “Weer een onbekend nummer,” mompelt hij en neemt op. “Hé, zou je niet eens zeggen wie je bent?”
“Pas op, jongeman. Ik heb het goed met je voor.”
“Waar gaat het over, wie ben je?”
“Er worden kinderen vermist, te veel kinderen. Het gevaar is dichtbij… Dichterbij dan je denkt.” Voordat David kan reageren, wordt de verbinding verbroken. Geïrriteerd legt hij de telefoon op het kastje in de hal. Als je zo dapper bent om te waarschuwen, wees dan ook zo dapper om te vertellen wie je bent. Er trekt weer een koude stroom door zijn lijf. Hij voelt zich een beetje misselijk worden en vooral verschrikkelijk moe.
In bed leest hij nog anderhalve bladzijde voor school. Het is verschrikkelijk saai, maar het helpt hem om zijn eigen gedachten uit te zetten. Als hij het boek heeft weggelegd en zich nestelt onder de dikke, behaaglijke deken, komen de gedachten terug. Het lukt hem niet de telefoontjes los te laten. Vaag denkt hij de stem te herkennen, maar hij heeft geen idee wie het kan zijn. De stem had oud geklonken, of in elk geval niet erg jong. Zou hij echt gevaar lopen? Wordt er van hem verwacht dat hij iets doet? Daar heeft de man niets over verteld. Hij woelt en draait en probeert hardnekkig aan zijn kamer thuis te denken. Hij stelt zich de poster voor die boven zijn bed hangt: een van een indianenopperhoofd, Chief Joseph. In gedachten praat hij vaak tegen hem. Het is niet bepaald iets waar hij openlijk voor uitkomt, het is bijna net zo erg als op deze leeftijd nog met een knuffeldier gaan slapen. Het maakt dat hij zich minder eenzaam voelt en rustiger wordt.
Vannacht werkt het niet. Het is één uur en zijn vader is nog altijd weg. De stilte in dit huis voelt niet zo veilig als bij zijn moeder thuis. Het is hier eerder beangstigend, alsof er elk moment iets kan gebeuren. David staat op en zet de computer aan. Op de pagina van Amber Alert ziet hij een nieuw gezicht. Vandaar dat zijn vader nog niet thuis is, natuurlijk. Het meisje komt hem vaag bekend voor, misschien van school, misschien uit de stad? Boegstede staat er onder haar foto. Een stadsgenoot dus. Het is geen goede bekende in elk geval, want haar naam zegt hem niets. Snel klikt hij de pagina weg, dit werkt ook niet echt mee om tot rust te komen.
Gamen. Autoracen. Het spel start op en niet veel later gaat David tekeer op de virtuele racebaan. Een wondermiddel, want na drie rondes rijdt hij knikkebollend van de baan.

David kijkt op de wekker, tien uur. Slapen lukt echt niet meer en met grote tegenzin staat hij op. Hij opent het gordijn om te zien wat voor weer het is en wordt bijna depressief van de dikke grijze wolkenlaag. Hij kijkt naar het schuurtje waar de tuinspullen bewaard worden en ziet tot zijn verbazing op dat moment de tuinman, Thomas, naast de schuur staan. Hij kijkt David recht aan, terwijl hij bezig is een sigaret te rollen.
David zwaait, maar Thomas blijft strak kijken. Dan lijkt hij licht met zijn hoofd te schudden – of knipperde David met zijn ogen? – steekt zijn sigaret aan en loopt de tuin in. Vreemd dat Thomas hier op zondag aan het werk gaat. Hij kent de tuinman bijna zijn hele leven, toch hebben ze maar een paar woorden met elkaar gewisseld. Voordat zijn ouders gingen scheiden onderhield Thomas de tuin van het huis waar David met zijn moeder is blijven wonen. Na de scheiding is hij met Bram meegegaan. Nou ja, Bram zal hem wel omgekocht hebben, denkt David sarcastisch.
Tegen de middag verschijnt zijn vader eindelijk in het land der levenden. David zit achter zijn computer te chatten met Sam, als zijn vader over de gang naar de douche sloft en iets bromt wat op ‘Môge’ lijkt.
“Het is al middag, Bram,” zegt David binnensmonds terwijl hij de chat afsluit. Tijd om naar de keuken te gaan en te kijken of er nog wat lekkers te lunchen is.
Als hij in de keuken bij het aanrecht zijn brood met dik chocopasta naar binnenwerkt, komt zijn vader binnen.
“Lekker geslapen?”
“Koffie. Eerst koffie, jongen, daarna ben ik wellicht in staat tot een min of meer zinnig gesprek over nachtrust of het gebrek eraan.” Hij knipoogt terwijl hij een koffiepad in de houder doet en op een knopje drukt. David gruwelt van koffiepadkoffie.
Bram gaat aan de keukentafel zitten en leunt met zijn hoofd op zijn handen terwijl hij wacht tot de koffie op drinktemperatuur is. “Gisteravond nog wat leuks gedaan? Of wat nuttigs voor school misschien?”
David besluit dit keer gewoon te antwoorden. Hij haalt zijn schouders op. “Wat gegamed…”
“Het was koud hè, gisteravond. Brrr, ik ben blij dat ik grotendeels binnen was op kantoor en…”
“… en een wandeling gemaakt,” gaat David verder, boos dat zijn vader weer niet naar hem luistert. Hij staat op en loopt de deur uit terwijl Bram nog aan het praten is. In de badkamer bekijkt hij zichzelf in de spiegel. Hij voelt zich sloom en viezig met zijn lange haren die nu wel erg dramatisch voor zijn ogen hangen. Hij strijkt zijn lokken – die hij tot groot verdriet van zijn moeder zwart geverfd heeft – aan de kant en houdt ze strak naar achteren. Vluchtig kijkt hij de badkamer rond en laat zijn blik rusten op de scheerspullen van zijn vader. Zonder aarzelen pak hij de tondeuse, doet de stekker in het stopcontact en haalt aan de linkerkant van zijn hoofd de eerste baan haren weg. Daarna is de rechterkant aan de beurt. Grinnikend bekijkt hij zichzelf nog eens in de spiegel. Hij pakt de pot sterke gel – die zijn vader gebruikte voor hij besloot kaal door het leven te gaan – en smeert er zoveel in dat zijn haar recht overeind blijft staan. Zo heeft hij hetzelfde kapsel als Black Hawk, een opperhoofd van de Sauk-Indianen uit de achttiende eeuw.
David kleed zich uit en zet de douche aan. Hij moet eerst de geltroep weer uit zijn haren wassen voordat hij verder kan met de tondeuse. Al zijn haren moeten eraf. Zijn moeder zal het zich wel persoonlijk aantrekken, denken dat hij het heeft gedaan om haar of de wereld te choqueren. Met woeste gebaren spoelt hij de shampoo uit. Als hij daarmee klaar is draait hij de warme kraan dicht. Hij verbijt zich om het niet uit te gillen. Waarom hij dit tot ritueel heeft gemaakt, is hem op dit moment volstrekt onduidelijk.
Met natte haren loopt hij naar zijn slaapkamer om ze te laten drogen voordat hij er met de tondeuse overheen kan.
“Gedoucht?” vraagt Bram, die onderweg is naar de badkamer.
“Gezopen?” is de nonchalante wedervraag van David. De ijzersterke greep van zijn vader omklemt zijn bovenarm. Instinctief duikt David in elkaar en voelt zich weer het kleine jongetje van vroeger. Bram buigt zich lichtjes naar voren. “Wil jij niet zo’n brutale mond opzetten, jochie?” Hoewel het geformuleerd is als vraag, klinkt het als een bevel. Er trekt een siddering door David heen, angst en ontzag maken zijn benen slap. De ogen van zijn vader stralen woede uit, misschien wel haat. De meestal zo onverschillige Bram, de afwezige Bram, de Bram zonder daadwerkelijke interesse in zijn zoon, heeft zijn masker afgezet. Het is weer zo ver. De enige reden dat David vroeg of Bram gedronken had, was omdat hij de stomme vraag over douchen wilde beantwoorden met een even stomme vraag.
“Nou?” Bram verstevigt zijn greep en haalt uit met zijn andere hand. David bukt net op tijd en voorkomt daarmee een klap tegen zijn hoofd. In de loop der jaren heeft hij zijn reflexen goed leren gebruiken en ondanks dat Bram een getraind politieman is, weet David hem meestal te ontwijken. De keren dat hij wel een rake klap krijgt, tellen meteen voor tien, want Bram is geen watje. Hij slaat hard, heel hard.
“Ik bedoelde niet dat je… ik wilde alleen… Auw!” Deze had David niet zien aankomen, hij wankelt en kan zich nog net aan de linnenkast vastgrijpen om te voorkomen dat hij omvalt.
“Dat zal je leren, David. Je moet geen vreemde ideeën van je moeder overnemen. Naar je kamer, ik wil je voorlopig niet zien.”
Met gebogen hoofd loopt David naar zijn kamer. Tranen prikken in zijn ogen en hij voelt zich vernederd. Hij is jaloers op klasgenoten die samen met hun vader naar uitvoeringen van school komen, vaders die naast schoenen lopen van trots. De schoenen van Bram zijn glimmend gepoetst maar de keren dat hij ernaast loopt is het van trots op zichzelf. Naar een uitvoering van school is hij nog nooit geweest, daar heeft hij geen tijd voor.
In gedachten verzonken speelt David zijn racespel. Waarom hebben zijn ouders hem gemaakt? Zijn moeder houdt wel van hem, dat gelooft hij wel, maar Bram… Die man is niet in staat om van-wie-dan-ook te houden. Wilde hij echt graag een kind? David kan zich Bram niet voorstellen met een klein baby’tje in zijn armen, vertederd kijkend, heen en weer wiegend. Nee, de Bram die hij kent zou brullen dat het gejank afgelopen moest zijn, dat het kind een godsvermogen kostte, dat hij hoopte dat zijn zoon beter terecht zou komen dan zijn vrouw…
Tegen de tijd dat het begint te schemeren zijn z’n haren droog. Hij gaat naar de badkamer en met de tondeuse haalt hij het middenstuk van zijn haren weg. In de spiegel ziet hij een verbeten mond en een paar verdrietige ogen die hem vanuit een kaal hoofd aanstaren. Hij wil naar huis.
Alsof hij niet naar zijn kamer verbannen is, loopt hij de woonkamer in. “Wat gaan we eten?”
Zijn vader lijkt ook vergeten dat hij zijn zoon voorlopig niet meer wilde zien. “Nasi,” bromt hij vanachter de tv.
“Uit de diepvries, rechtstreeks de magnetron in,” mompelt David. “Lekker,” zegt hij iets harder en het sarcasme weerkaatst tegen de kale muur.
Pas als ze aan tafel zitten kijkt Bram naar David. Zijn vork blijft halverwege bord en mond in de lucht hangen en zijn stem wankelt tussen verbazing en boosheid: ”Wat heb jíj nou gedaan?”
“Overbodige vraag, Bram, je ziet het.” David neemt een hap en kijkt zijn vader uitdagend aan. Nu deze niet meer boos is, is de terughoudendheid van David verdwenen.
“Dit zal je moeder niet leuk vinden,” zegt Bram en dat zijn meteen zijn laatste woorden tijdens deze smakeloze maaltijd.

Zwanger

Gistermiddag was ze al onderweg. Op haar tenen sloop ze in mijn onderbewustzijn rond en tikte af en toe tegen mijn bewustzijn, om vervolgens hard weg te rennen. Gisteravond kwam ze binnen. Maria. Een nieuw personage van een nieuw verhaal. Welk verhaal? Geen idee. Wat haar verleden is? Al sla je me dood.
Ik hoop dat het verhaal binnenkort ook in mijn hoofd komt. Ik heb even geprobeerd Maria in een bestaand (onaf) manuscript te proppen en ik heb gepoogd een verhaal om haar heen te verzinnen, maar dat klopte niet. Had haar goedkeuring niet. In elk geval staat vast dat deze vrouw een bijzondere karakterontwikkeling doormaakt. Ik weet inmiddels welke en waardoor ze getriggerd wordt. Nu de rest nog.
Spannend om opnieuw de geboorte van een verhaal mee te maken, maar laat me er nog maar even zwanger van zijn. Ik ben bang dat de dominante Esmee, de hoofdpersoon uit het verhaal waar ik nu aan werk, niet op een gedeelde eerste plek wil staan met Maria.

Ruzie

De afgelopen twee dagen had ik ruzie. En niet met zomaar iemand, nee, met de hoofdpersoon van mijn eigen manuscript. Je zou toch zeggen dat ze doet wat ik wil. Maar nee. Ze leidt, net als mijn andere personages, haar eigen leven en ik als schrijver mag dat vastleggen. Te veel ‘gebemoei’ wordt afgestraft met een writersblock.
Goed. Esmee had de touwtjes in handen, letterlijk, en ze was klaar om haar eerste slachtoffer te wurgen. Ik zat ook klaar. Vingers hingen boven mijn toetsenbord en toen kwam het hoor: ze weigerde. Ontvoeren, martelen, gevangen houden, dat was allemaal oké en haar plan. Doodmaken ging een stap te ver.
Tja. Had ik niet zelf gevraagd om haar zachte(re) kant te mogen leren kennen? Twee dagen heb ik haar toegesproken, eerst liefdevol, toen ongeduldig, ik probeerde haar zelfs te chanteren (als je haar vrijlaat, word jíj opgepakt. Wil je dat dan?). Ongevoelig was ze daarvoor. En dat oppakken valt nog te bezien, want ze is niet achterlijk, mijn Esmee, ze denkt heus overal wel over na. Zelf. Mij heeft ze niet nodig. Nou ja, alleen dan om haar verhaal op te schrijven.

Zwak dat ik de regie niet overneem en haar leven ga manipuleren tot het verhaal dat ik in gedachten had?
Nee. Sommige schrijvers werken zo dat zij zelf hun hoofdpersonen vormen en kneden, zij zijn en blijven de baas over het verhaal. Prachtig! Prima! Bewondering zelfs. Ik werk liever anders, geef mijn personages de ruimte te zijn wie ze zijn, te vertellen wat ze kwijt willen. Ik ben dan ook niet echt een verhalenverteller, ik ben een schrijver.

En nu?

Waar ben ik mee bezig, nu ‘Goliath’ en ‘Zinloze vrouw’ klaar zijn?
Behalve wachten op hopelijk positief uitgeversnieuws en heel hard duimen draaien, zit ik natuurlijk niet stil. Op de eerste plaats ben ik hard bezig met ‘Esmee‘. Een verhaal waar ik in 2006 mee begon, in de hoop er een thriller van te maken. Oei, oei, oei, wat is dat slecht geschreven! Vette perspectiefwisselingen, slappe zinnen, vertellerig tot en met en absoluut niet spannend. Nee, dit verhaal moet niet herschreven worden, ik moet gewoon opnieuw beginnen. De personages zitten al jaren in mijn hoofd, die zijn goed! De essentie van het verhaal is ook goed en het is zeker niet saai. Maar het idee er een thriller van te maken moet ik loslaten. Is het sowieso nog wel spannend en noem je het een thriller als je vanuit de dader schrijft? Nee, ik ben geen thrillerschrijver. Mijn kracht ligt niet in het bedenken van een ingewikkeld plot. Mijn kracht ligt in het vertellen vanuit personages en dat is precies wat ik met ‘Esmee’ ga doen. Deze op het eerste gezicht gelukkig getrouwde vrouw, moeder van twee jonge kindjes, heeft een persoonljkheid die dicht in de buurt komt van een psychopate. Ik ken haar inmiddels door en door en vanuit haar ga ik het verhaal vertellen. Haar leven ga ik neerzetten. Afgewisseld met korte stukken vanuit het perspectief van de slachtoffers en haar man. Jammer van de 30.000 woorden die ik heb staan. Het moet anders, omgegooid, rigoureus!

Verder heb ik een erg leuk, magisch-realistisch verhaalidee, ‘Betoverd’. De komende maanden blijft het een verhaalidee dat voor mij stukje bij beetje duidelijk wordt. Personages die ik voorzichtig leer kennen. Niet iets waar ik dus druk mee aan het schrijven ben. Wel een verhaal waar ik soms een beetje van mag snoepen. Gisteren werd het einde duidelijk. Het begin (amper 500 woorden) heb ik ook al geschreven, maar er zijn nog zoveel onopgeloste vragen. De karakters hebben zich ook nog niet volledig blootgegeven aan mij. Ik ben heel benieuwd waar dit uiteindelijk toe leidt!

De rest van mijn manuscripten (Marein en Stormvloed) liggen even in de virtuele la. Eerst mijn focus hierop houden en als ik wat heb afgerond, komt het volgende wel.

De kraan staat open

Vol spanning keek ik uit naar de feedback die ik terug zou krijgen op laatste hoofdstukken van Goliath. Nog even het proefleescommentaar verwerken en dan was dat manuscript klaar!
Dacht ik.
Hoopte ik stiekem ook wel een beetje.
En toen kreeg ik mail met feedback, super! Maar er stond een indringende zin in de mail: met dit verhaal moet je meer!
Daarbij nog wat goede tips.
Ik moet toegeven, ze had gelijk. Natuurlijk had ze gelijk. Dit verhaal van amper 40.000 woorden, kan langer, er kan meer uit. Eerlijk is eerlijk, ik moest wel even zuchten, slikken en grommen. Maar toen was het alsof de inspiratiekraan was opengedraaid. Helaas was het bedtijd, dus snel even het een en ander opschrijven, voordat het een nacht vol malende verhalen werd.
Wat ik nu ga doen, is een idee waar ik al een tijdje mee speelde. De tweede hoofdpersoon, Masja, krijgt een eigen stem, een eigen perspectief. Maakt meteen de proloog overbodig die, vanuit haar perspectief geschreven, een beetje los aan het verhaal hing. En heel misschien komen er ook stukjes vanuit daderperspectief.
Dank je wel, lieve proeflezer, voor het opendraaien van de verhalenkraan.
Marein gaat even in de kast terug, Loslaten moet naar een proeflezer, en ik ga schrijven aan Goliath.

Kort verhaal: Fatale lach

“Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Deze woorden, gevolgd door een aanstellerig gegiechel maakten hem blij en boos tegelijk. Hij drukte op repeat: “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” … “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!”
Het was de eerste keer dat ze die woorden tegen hem had gezegd en meteen ook de laatste keer. Ze waren zijn nieuwe memorecorder aan het uittesten geweest, die bewuste dag. Een week geleden was het nog maar. Ze hingen op bed, speelden met het apparaat en elkaar en waren zorgeloos, bijna gelukkig. Ware liefde leek op te bloeien, maar nu was ze weg. Het enige dat ze had achtergelaten waren deze woorden en een paar herinneringen. Niet veel, zo lang kenden ze elkaar nog niet. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Haar lach had het moment van geluk verpest. Daardoor leken die mooie, zuivere woorden niets meer waard. Hij had haar gegiechel voorgoed gesmoord, maar dat moment had hij gewist uit zijn herinnering. Had hij het ook maar van de recorder gewist, dan zat hij nu niet hier.
De kriebelende vlinders in zijn buik, die omhoog waren gevlogen bij het horen van die zin – haar laatste zin – veranderden door haar lach in zoemende bijen. Ellendig zoemende bijen. Ze staken hem in in zijn ogen, verblinden hem en maakten gaten in zijn lijf. Gaten waardoor de woede naar buiten kwam. Maar de boosheid was nu ook weg, net als zij. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” … “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Haar stem klonk oprecht. Had ze de woorden toch echt gemeend? Misschien was haar lach niet meer dan een zenuwachtige giechel geweest. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!”
“Meneer van Dijk zullen we de recorder verder afspelen?”
Zwijgend keek hij ze aan, de hoge heren in uniform die zo vastbesloten leken zijn leven nog verder te ruïneren.
“Meneer van Dijk, als u niet… “
De woede kwam terug, borrelde omhoog als belletjes in het bad, na het laten van een scheet. De belletjes groeiden uit tot een kolkende branding en hij spuwde de agenten twee woorden in hun gezicht: ”Blijf af!” Grommend klemde hij de recorder stevig vast.
“Isoleercel?”
“Isoleercel.”
Het drong niet meer tot hem door. Hij zat al opgesloten, in de isoleercel van zijn gedachten, samen met zijn recorder en de herinneringen aan Jetske. Ze was dood, hartstikke dood en nu wilden ze hem haar laatste woorden afnemen?
Een zwak moment, koud metaal om zijn polsen. De recorder, waar was zijn memorecorder? Een norse snorreman leidde hem de gang over, een kale, smalle kamer in. Gedwee ging hij zitten op het bed dat daar stond. Zijn vrijheid was hem afgenomen, maar dat gaf niets. Zonder Jetske had het leven toch geen zin meer. Hij leunde achterover en keek naar de veters in zijn schoenen. Rustig wachtte hij op het moment dat de deur in het slot viel. Grijnzend knipoogde hij naar de Dood die in een hoek van de cel op hem stond te wachten, met naast zich een giechelende, uitdagende Jetske.