Publicatiedrang

Zal ik hier op mijn blog het eerste hoofdstuk van Marein/Grenzeloos (heb er nog steeds geen definitieve titel voor) zetten? Het is tenslotte zo goed als af, heeft een aantal proeflezingen doorstaan en zou alleen redactioneel nagekeken moeten worden. Of zal ik dat ene korte verhaal hier publiceren? Hm, misschien is het ook wel leuk een stukje van het verhaal over Job en de eik te laten lezen door mijn bloglezers. Of dat dichtseltje van een poosje geleden…
Valt het al op? Ik heb ontzettend veel last van publicatiedrang. Maar ja, ik wil geen onafgewerkt werk laten lezen, dus nog even geduld. Voor jullie en voor mij. En intussen? Vooral hard doorwerken. Al schiet het met de zieken hier in huis niet erg op.

Ziek en werken

Deze week was ik ziek. Ben ik ziek, moet ik zeggen. Ziek en behoorlijk eigenwijs. Niet alleen vind ik dat ik thuis wel op volle kracht door kan gaan, ik kon heus ook wel even wat schrijfwerk doen. Maar goed, als ik mijn teksten niet tussendoor verberterde, zasg het er zo uit en dat is zo erg nog niet, dad kan ik latere altijd nog b ijwerken. Erger was dat mijn hoofdpersoon eindeloos bleef malen en niet uit haar gedachtenwereld stapte om in de fysieke werkelijkheid actie te ondernemen. Vermoeiend voor de lezer, en voor mij later bij het herschrijven. 😉 De binnenwereld van deze vrouw is erg belangrijk voor het verhaal, maar dit was een beetje overdreven.

En wat ik hier van geleerd heb? Nou, dat het gisteren dus niet ging, het schrijven. Ik ben dan na wat geworstel ook braaf gestopt. Vandaag is het weer een nieuwe dag en hoewel ik nog helemaal niet fit ben (wat een hardnekkig virus is dit), flink wat slaapgebrek heb door kinderen die eveneens ziek zijn, ga ik toch verder met mijn manuscript. Eigenwijs? Ach ja, maar wel in combinatie met doorzettingsvermogen.

Andere werkwijze

Langzaam werd ik hartstikke gek van mijn manier van werken.
Hoewel het altijd goed heeft gevoeld om met meerdere manuscripten bezig te zijn – past bij de chaoot die ik ben – werkte het niet meer. Ik zette ‘oké’ verhalen neer, kreeg wat positieve reacties van uitgevers, maar kwam niet verder. Uitgevers vonden mijn manuscripten goed geschreven, maar niet origineel genoeg. Drie manuscripten had ik af. Of beter gezegd: zo goed als af. Ik wilde te snel, ik wilde alles tegelijk, maar dat past niet bij het feit dat ik ook wil knallen met een fantastisch goed werk. Mijn doel is niet om dertien-in-een-dozijn verhalen te schrijven, mijn doel is om een erg goed, origineel verhaal neer te zetten. Iets waar mensen nog aan terug denken.
Tijd voor een stapje terug om een stap vooruit te komen. Na wat gesprekken met collega’s en met mijn lief, kwam ik tot een nieuwe manier van aanpak: alle manuscripten gaan de ijskast in totdat ik er één helemaal goed heb afgewerkt, er alles uit heb gehaald wat er wat mij betreft in zit. En zo pakte ik Goliath weer bij de lurven. De afgelopen week ben ik met hoofdstuk één bezig geweest, 2400 woorden. Door zo intensief met Goliath bezig te zijn, kon ik weer bij het gevoel van mijn personages komen. Eerst ging ik zelf het hoofdstuk herlezen, herschrijven, stukken schrappen, schaven. Toen ik na deze tiende herschrijf zelf de fouten en onduidelijkheden niet meer zag, stuurde ik het manuscript naar vijf proeflezers. Dat was een meer dan goede zet. Zo fijn dat ze de tijd namen voor mijn verhaal en met allemaal punten kwamen waarmee ik het verder kon verbeteren. Met een heel goed gevoel leg ik dit hoofdstuk opzij en ga ik  – na een weekendje proeflezen – aan de slag met hoofdstuk twee (proeflezers gezocht! ;-)). Eindelijk heb ik weer het gevoel dat ik een stukje verder kom.

Kort verhaal: Fatale lach

“Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Deze woorden, gevolgd door een aanstellerig gegiechel maakten hem blij en boos tegelijk. Hij drukte op repeat: “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” … “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!”
Het was de eerste keer dat ze die woorden tegen hem had gezegd en meteen ook de laatste keer. Ze waren zijn nieuwe memorecorder aan het uittesten geweest, die bewuste dag. Een week geleden was het nog maar. Ze hingen op bed, speelden met het apparaat en elkaar en waren zorgeloos, bijna gelukkig. Ware liefde leek op te bloeien, maar nu was ze weg. Het enige dat ze had achtergelaten waren deze woorden en een paar herinneringen. Niet veel, zo lang kenden ze elkaar nog niet. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Haar lach had het moment van geluk verpest. Daardoor leken die mooie, zuivere woorden niets meer waard. Hij had haar gegiechel voorgoed gesmoord, maar dat moment had hij gewist uit zijn herinnering. Had hij het ook maar van de recorder gewist, dan zat hij nu niet hier.
De kriebelende vlinders in zijn buik, die omhoog waren gevlogen bij het horen van die zin – haar laatste zin – veranderden door haar lach in zoemende bijen. Ellendig zoemende bijen. Ze staken hem in in zijn ogen, verblinden hem en maakten gaten in zijn lijf. Gaten waardoor de woede naar buiten kwam. Maar de boosheid was nu ook weg, net als zij. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” … “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Haar stem klonk oprecht. Had ze de woorden toch echt gemeend? Misschien was haar lach niet meer dan een zenuwachtige giechel geweest. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!”
“Meneer van Dijk zullen we de recorder verder afspelen?”
Zwijgend keek hij ze aan, de hoge heren in uniform die zo vastbesloten leken zijn leven nog verder te ruïneren.
“Meneer van Dijk, als u niet… “
De woede kwam terug, borrelde omhoog als belletjes in het bad, na het laten van een scheet. De belletjes groeiden uit tot een kolkende branding en hij spuwde de agenten twee woorden in hun gezicht: ”Blijf af!” Grommend klemde hij de recorder stevig vast.
“Isoleercel?”
“Isoleercel.”
Het drong niet meer tot hem door. Hij zat al opgesloten, in de isoleercel van zijn gedachten, samen met zijn recorder en de herinneringen aan Jetske. Ze was dood, hartstikke dood en nu wilden ze hem haar laatste woorden afnemen?
Een zwak moment, koud metaal om zijn polsen. De recorder, waar was zijn memorecorder? Een norse snorreman leidde hem de gang over, een kale, smalle kamer in. Gedwee ging hij zitten op het bed dat daar stond. Zijn vrijheid was hem afgenomen, maar dat gaf niets. Zonder Jetske had het leven toch geen zin meer. Hij leunde achterover en keek naar de veters in zijn schoenen. Rustig wachtte hij op het moment dat de deur in het slot viel. Grijnzend knipoogde hij naar de Dood die in een hoek van de cel op hem stond te wachten, met naast zich een giechelende, uitdagende Jetske.

Schepper of regisseur?

Ik heb al eerder laten vallen dat ik mijn personages lang niet altijd onder controle heb. Het is al beter dan het was, maar nog altijd gaan ze regelmatig hun eigen gang en laten mij de gevolgen oplossen. Soms lastig, vaak leuk en spannend.

Een korte discussie met andere schrijvers leerde mij dat zij ook zo’n fase gehad hebben, maar inmiddels hun personages (meestal) onder controle hebben. Mijn conclusie: ik heb dus nog veel te leren en ik moet mijn personages beter opvoeden.
Toch werd ik verdrietig van deze conclusie. Het namelijk ook wel interessant voor mij als schrijver dat er dingen in mijn verhalen gebeuren die ik niet van tevoren bedacht had. En zolang het niet zo is dat eigenwijze personages mijn complete verhaallijn aan diggelen gooien, valt de schade ook wel mee…
Wil ik echt schepper zijn van de personages? Ze helemaal kneden naar mijn (soms te beperkte) ideeën? Of wil ik ze globaal neerzetten en mogen ze verder hun eigen fictieve leven leiden, zolang ze maar in het verhaal mee gaan? Eerlijk gezegd ben ik er nog niet uit. Een beetje van allebei misschien.

Autobiografisch

Sommige mensen denken dat schrijvers vaak autobiografisch schrijven. In gedachten ging ik mijn manuscripten langs en kwam tot de conclusie dat niet een personage ook maar in de buurt komt van wie ik ben of hoe ik ben. Natuurlijk kan ik putten uit een enorme bron levenservaring en emoties daaruit pikken (en die eventueel uitvergroten, bijschaven), maar een verhaal waar (grote) delen autobiografisch zijn heb ik niet geschreven. Ik ben ook niet van plan over mezelf te gaan schrijven want dat verhaal ken ik al. Ik word ook als schrijver liever verrast.