Kort verhaal: Fatale lach

“Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Deze woorden, gevolgd door een aanstellerig gegiechel maakten hem blij en boos tegelijk. Hij drukte op repeat: “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” … “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!”
Het was de eerste keer dat ze die woorden tegen hem had gezegd en meteen ook de laatste keer. Ze waren zijn nieuwe memorecorder aan het uittesten geweest, die bewuste dag. Een week geleden was het nog maar. Ze hingen op bed, speelden met het apparaat en elkaar en waren zorgeloos, bijna gelukkig. Ware liefde leek op te bloeien, maar nu was ze weg. Het enige dat ze had achtergelaten waren deze woorden en een paar herinneringen. Niet veel, zo lang kenden ze elkaar nog niet. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Haar lach had het moment van geluk verpest. Daardoor leken die mooie, zuivere woorden niets meer waard. Hij had haar gegiechel voorgoed gesmoord, maar dat moment had hij gewist uit zijn herinnering. Had hij het ook maar van de recorder gewist, dan zat hij nu niet hier.
De kriebelende vlinders in zijn buik, die omhoog waren gevlogen bij het horen van die zin – haar laatste zin – veranderden door haar lach in zoemende bijen. Ellendig zoemende bijen. Ze staken hem in in zijn ogen, verblinden hem en maakten gaten in zijn lijf. Gaten waardoor de woede naar buiten kwam. Maar de boosheid was nu ook weg, net als zij. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” … “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Haar stem klonk oprecht. Had ze de woorden toch echt gemeend? Misschien was haar lach niet meer dan een zenuwachtige giechel geweest. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!”
“Meneer van Dijk zullen we de recorder verder afspelen?”
Zwijgend keek hij ze aan, de hoge heren in uniform die zo vastbesloten leken zijn leven nog verder te ruïneren.
“Meneer van Dijk, als u niet… “
De woede kwam terug, borrelde omhoog als belletjes in het bad, na het laten van een scheet. De belletjes groeiden uit tot een kolkende branding en hij spuwde de agenten twee woorden in hun gezicht: ”Blijf af!” Grommend klemde hij de recorder stevig vast.
“Isoleercel?”
“Isoleercel.”
Het drong niet meer tot hem door. Hij zat al opgesloten, in de isoleercel van zijn gedachten, samen met zijn recorder en de herinneringen aan Jetske. Ze was dood, hartstikke dood en nu wilden ze hem haar laatste woorden afnemen?
Een zwak moment, koud metaal om zijn polsen. De recorder, waar was zijn memorecorder? Een norse snorreman leidde hem de gang over, een kale, smalle kamer in. Gedwee ging hij zitten op het bed dat daar stond. Zijn vrijheid was hem afgenomen, maar dat gaf niets. Zonder Jetske had het leven toch geen zin meer. Hij leunde achterover en keek naar de veters in zijn schoenen. Rustig wachtte hij op het moment dat de deur in het slot viel. Grijnzend knipoogde hij naar de Dood die in een hoek van de cel op hem stond te wachten, met naast zich een giechelende, uitdagende Jetske.