My way

Anderhalf jaar heb ik braaf aan één manuscript tegelijk gewerkt. In totaal ben ik in die periode wel met drie verschillende verhalen bezig geweest (twee herschrijfrondes voor twee uitgevers en ‘María’), maar altijd na elkaar. (Dit in tegenstelling tot mijn andere schrijfjaren. Dan werkte ik aan twee, soms wel drie manuscripten tegelijk.)

Maar het voelde niet goed. Ik wrong mezelf in een keurslijf, deed iets omdat anderen dat ook doen en het dus wel goed zal zijn. Ik werd er onrustig van en het ontbrak me meer en meer aan focus.

Vorige week werd ik kriegel van het ‘zo hoort het’ idee. Wie bepaalt hoe ik schrijf, wat voor mij het beste werkt? Juist.
Dus vanaf nu werk ik weer aan twee manuscripten tegelijk. ‘María’ en ‘Bloem‘. Een prima combinatie want met ‘María’ zit ik in de laatste herschrijfronde voordat het manuscript naar een proeflezer gaat en ‘Bloem’ zit in de opstartfase.

In plaats van een week zitten tobben over een bepaald stukje in een verhaal, kan ik het nu opzij leggen en verder met het andere verhaal. De personages wonen in mij, zijn er altijd. Ik hoef ze maar op te roepen en ze spreken. Dus bang voor verwarring ben ik niet. Het mooie is dat in mijn onderbewustzijn de verhalen doorgaan. Het kan dus gebeuren dat ik opeens een geweldig idee krijg en verder kan met het verhaal dat opzij geparkeerd stond.

Ik voel me enorm opeglucht door deze beslissing. Vanaf nu doe ik het weer helemaal op mijn manier.

Advertenties

De titel

Nog één of twee A4-tjes en het verhaal van María staat. Ten minste, de eerste versie. Daarna begint het echte werk en het kost vast nog erg veel tijd om het verhaal grondig te herschrijven.

Terwijl ik mijn gedachten liet gaan over de omslag van het boek (ja, ik loop graag op de feiten vooruit), kwam mijn man – die ook de titel ‘Zinloze vrouw’ heeft bedacht – met een geweldige titel:

Spiegel

 

Meer over María

Tussen de bedrijven door vind ik af en toe tijd om verder te schrijven aan María. Eindelijk, na ruim 30.000 woorden (120 boekpagina’s) weet ik hoe het verhaal in elkaar steekt. Nu nog uitpuzzelen hoe ik dat overbreng aan de lezers. Geen gemakkelijke klus, wel een leuke.
María is geen heftig, zwaar verhaal, zoals Zinloze vrouw. Wel is het weer een levensverhaal en neem ik je mee in het hoofd van María. De lezer wordt zeker weer aan het denken gezet.

María is tweeënveertig jaar, nog maagd, werkzaam als docent Spaans aan de universiteit. Als ze Noa – een leerling – beter leert kennen, maakt ze voor het eerst kennis met echte liefde in al haar facetten. De kleurrijke, prettig gestoorde Noa, Max – een buurman door wie María geobsedeerd is -, een man uit het verleden en haar roots in Bolivia geven haar leven steeds meer kleur. Vanuit het perspectief van María zien we hoe langzaam haar ietwat saaie, maar ordelijke wereldje verandert.

Fragment: ontmoeting met Noa

Om tien over acht liep ze mijn woonkamer binnen. Correctie: dwarrelde ze mijn woonkamer binnen. Haar sjaal in alle kleuren van de regenboog slierde achter haar aan, maar haar stralende lach deed alle kleuren in de wijde omtrek verbleken. Mijn mond klapte weer dicht en ik perste er een – naar ik hoopte- beleefde glimlach uit en stak mijn hand uit. Die negeerde ze. Ze drukte zich kort tegen mij aan. Lelietjes van dalen. Of waren het viooltjes?
‘Wat woon je leuk. Zullen we meteen beginnen?’ Ze nam het heft in handen en voor ik klaar was met twijfelen of ik dat prettig vond of niet, had zij al voor ons beiden een glas water ingeschonken en zat aan tafel, tas voor haar neus, mij afwachtend aan te kijken. Noa. Godin van kleur, geur. Die glimlach… Tintelingen strekten zich uit van mijn buik naar de rest van mijn lijf. Wat gebeurde er toch met me?

Met frisse blik?

Sommige schrijvers zweren erbij hun verhalen een (hele) poos te laten liggen, om er later met een frisse blik naar te kunnen kijken. Een poosje kan ook voor mij inderdaad goed werken, maar dan praat ik over één, hooguit twee weken. Niet drie maanden, zoals nu (noodgedwongen) bij María. Dat werkt dus totaal niet. Dan is mijn blik op het verhaal niet fris, maar vertroebeld. Met ontzettend veel moeite en nog meer doorzettingsvermogen kom ik weer een beetje in het verhaal.

Ik moet al mijn schrijftips uit de kast halen om de personages weer te zien, te voelen, te horen. Stukken hardop teruglezen, de bio’s van alle personages doornemen en waar nodig aanvullen. In gesprek gaan met de personages, over het verhaal, maar ook over dagelijkse dingen, zodat ik ze nog beter leer kennen. Elke dag – al is het maar heel even – bezig zijn met het manuscript. Eigenlijk komt het er op neer dat een deel van mij bestaat uit het verhaal en de personages. Of ik nou met de kinderen bezig ben, eten kook, boodschappen doe, douche, of op de fiets zit… María, Noa, Max, Miguel en de bijpersonages zijn bij me, in me. Ik moet alert zijn omdat ze ineens iets kunnen zeggen dat van groot belang is.

Gisteravond (ja, ja, onder de douche) was het voor het eerst na een week dat ik een stukje verder kwam. Dat wil zeggen: er werden wat knelpunten duidelijk, nu moet ik die nog zien op te lossen. Had ik ergens al geschreven dat schrijven ook puzzelen is? Ik weet nu wat ik wil, maar niet hoe. Totaal geen idee hoe ik een belangrijk punt aan moet pakken. Behalve puzzelen is schrijven dus ook worstelen. Maar schrijven is ook leuk! Het is creëren, boetseren, ontdekken, de diepte ingaan, en heel hard juichen als je na lang zoeken, wikken en wegen de oplossing hebt voor een struikelpunt(je). Dan zoef je met energie voor tien vooruit.