Stranden (zeer kort verhaal)

Mijn hart gaat zo tekeer dat ik bang ben dat het uit mijn borst knalt. Het strand is te leeg en te groot.
De zilte lucht trekt het vocht uit mijn mond. Ik slik, mijn keel schuurt. Gekrijs van meeuwen. Ik schrik ervan en ren verder. Door het losse zand kom ik niet snel vooruit. Als ik achterom kijk, zie ik een stipje en ik twijfel of het stilstaat of dichterbij komt. O god, laat het hem niet zijn. Zo snel mijn voeten de weerstand van het zand kunnen breken, loop ik naar de kustlijn. Het stipje komt dichterbij. Hij is het! Mijn blote voeten kletsen oorverdovend in de donkerbruine modder. Links, rechts, sneller en sneller.
Als hij gisteravond niet haar naam genoemd had, lagen we nu nog in elkaars armen. Bijkomend van een woeste nacht vol passie, onze lichamen klam tegen elkaar gedrukt.
Irene, Irene. Nooit zou ik aan haar schoonheid kunnen tippen, haar extraverte karakter maakte van mij een muurbloempje. Overal leek ze over mijn schouder mee te kijken en de samenzweerderige blikken van haar en Guido… Míjn Guido.
Een siddering trekt door mijn lijf. Ze is al een week dood, hartstikke dood, dreunt een stem in mijn hoofd op de maat van de branding die onvermoeibaar op het strand beukt. Ze kan me niets meer maken. Niets meer kapot maken. Half rennend, struikelend over mijn eigen voeten, kijk ik om. Onmiskenbaar zijn gestalte. Dichterbij dan ik dacht. Hij roept iets, maar zijn woorden waaien weg. Ik ren verder, maar het is alsof ik met een onzichtbaar elastiek aan hem vast zit. Wil ik wel echt weg? O ja! Bij hem blijven is geen optie. Niet zolang hij in al onze momenten van liefde aan haar denkt.
Zijn adem in mijn nek, twee armen om mijn middel. Onze schreeuwen vermengen zich als we in het natte zand vallen. Zijn lippen raken mijn nek, zijn handen zijn overal, als tentakels van een octopus. Ik duw hem van me af en verlies mijn evenwicht. Dan trek ik me aan zijn uitstekende hand weer omhoog en duik in zijn armen. Neem me, laat me met rust! Hou van me, haat me! Ik druk mijn handen tegen mijn oren terwijl Guido me stevig vasthoudt. Het versterkt het geschreeuw in mijn hoofd. ‘Lul!’ roep ik, terwijl ik tegen zijn borst timmer. Hij laat me nog steeds niet los.
‘Waarom liep je van me weg? Ik hou van je! Ik verdien het niet om nog een vrouw kwijt te raken. Niet op deze manier.’ Zijn stem klinkt gebroken en als ik naar hem opkijk zie ik een glinsterende druppel over zijn wang glijden.
Hoezeer ik ook naar hem verlang, weigeren mijn handen hem aan te raken. Als een onzichtbare engel staat ze nog altijd tussen ons in. Waanzinnig lekkere-altijd geile-spannende Irene.
Haar laatste blik was alles behalve geil. Wijd open gesperde ogen, snot vermengd met spuug. Nee, erg fraai had ze er niet uit gezien toen ze wist dat ze zou sterven. En dan die doodschreeuw… Twee tikken met de moker waren voldoende om haar definitief bij Guido weg te krijgen.
‘Ga mee, liefje, ga mee terug naar het hotel,’ fluistert Guido in mijn oor terwijl zijn handen kalmerend over mijn rug strelen.
Pas toen Irene weg was, kreeg hij oog voor mij. Wij horen bij elkaar! Ik weet het, hij weet het. Toch drijft alleen al een fluistering van haar naam ons uit elkaar. Natuurlijk wil ik hem terug en ga ik met hem mee, maar hij moet zwoegen en zweten, moeite voor me doen. Laten zien dat ik belangrijker ben dan zij. Irene vergeten.
In het licht van de opkomende zon glinstert zilverkleurig metaal. Een ring? Mijn god, heeft hij een ring voor me gekocht? Zelfs met haar was hij niet getrouwd, niet eens verloofd. En nu na zo’n korte tijd gaat hij mij vragen zijn vrouw te zijn. Mijn boosheid wordt weggedrongen door een nieuw soort onrust. Een gelukzalig gevoel. Wat zal ik dragen die dag? Een traditionele trouwjurk of iets veel hippers? Ik kan bijna de geur ruiken van de rozen die mijn boeket moeten vullen.
Een korte steek. Bloeddruppels vallen in het zand. Mijn mond zakt open als ik besef wat er gebeurd is en ik kijk van de wond in mijn buik naar hem. Zijn ogen waar zo-even een traan van liefde uit viel, staan kil. Koude haat vermengd met wanhoop.
‘Ik heb gezworen haar te wreken. Hoe kon je…’ Zijn stem breekt.
Ik wil opstaan, het uitleggen, maar mijn benen voelen als pap. Mijn woorden blijven steken in mijn keel.
Guido draait zich om en gaat. Dezelfde lange weg terug langs de kustlijn. Dit keer met hangend hoofd en langzaam. Ik blijf achter en terwijl het rood dat uit mijn lijf sijpelt zich vermengd met het donkerbruine zand, verandert mijn wereld van kleurloos naar zwart.

Advertenties

Kort verhaal: Fatale lach

“Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Deze woorden, gevolgd door een aanstellerig gegiechel maakten hem blij en boos tegelijk. Hij drukte op repeat: “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” … “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!”
Het was de eerste keer dat ze die woorden tegen hem had gezegd en meteen ook de laatste keer. Ze waren zijn nieuwe memorecorder aan het uittesten geweest, die bewuste dag. Een week geleden was het nog maar. Ze hingen op bed, speelden met het apparaat en elkaar en waren zorgeloos, bijna gelukkig. Ware liefde leek op te bloeien, maar nu was ze weg. Het enige dat ze had achtergelaten waren deze woorden en een paar herinneringen. Niet veel, zo lang kenden ze elkaar nog niet. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Haar lach had het moment van geluk verpest. Daardoor leken die mooie, zuivere woorden niets meer waard. Hij had haar gegiechel voorgoed gesmoord, maar dat moment had hij gewist uit zijn herinnering. Had hij het ook maar van de recorder gewist, dan zat hij nu niet hier.
De kriebelende vlinders in zijn buik, die omhoog waren gevlogen bij het horen van die zin – haar laatste zin – veranderden door haar lach in zoemende bijen. Ellendig zoemende bijen. Ze staken hem in in zijn ogen, verblinden hem en maakten gaten in zijn lijf. Gaten waardoor de woede naar buiten kwam. Maar de boosheid was nu ook weg, net als zij. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” … “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!” Haar stem klonk oprecht. Had ze de woorden toch echt gemeend? Misschien was haar lach niet meer dan een zenuwachtige giechel geweest. “Liefste, ik hou van je… Voor altijd, hoor je me? Voor altijd!”
“Meneer van Dijk zullen we de recorder verder afspelen?”
Zwijgend keek hij ze aan, de hoge heren in uniform die zo vastbesloten leken zijn leven nog verder te ruïneren.
“Meneer van Dijk, als u niet… “
De woede kwam terug, borrelde omhoog als belletjes in het bad, na het laten van een scheet. De belletjes groeiden uit tot een kolkende branding en hij spuwde de agenten twee woorden in hun gezicht: ”Blijf af!” Grommend klemde hij de recorder stevig vast.
“Isoleercel?”
“Isoleercel.”
Het drong niet meer tot hem door. Hij zat al opgesloten, in de isoleercel van zijn gedachten, samen met zijn recorder en de herinneringen aan Jetske. Ze was dood, hartstikke dood en nu wilden ze hem haar laatste woorden afnemen?
Een zwak moment, koud metaal om zijn polsen. De recorder, waar was zijn memorecorder? Een norse snorreman leidde hem de gang over, een kale, smalle kamer in. Gedwee ging hij zitten op het bed dat daar stond. Zijn vrijheid was hem afgenomen, maar dat gaf niets. Zonder Jetske had het leven toch geen zin meer. Hij leunde achterover en keek naar de veters in zijn schoenen. Rustig wachtte hij op het moment dat de deur in het slot viel. Grijnzend knipoogde hij naar de Dood die in een hoek van de cel op hem stond te wachten, met naast zich een giechelende, uitdagende Jetske.

De ontmoeting (kort verhaal)

De snijdende kou drong nauwelijks tot me door. Zenuwen hadden de overhand en mijn hart bonsde als een bezetene in mijn keel. Het was druk op het perron. Ongeduldig wachtende mensen stampten heen en weer in een mislukte poging warm te worden. Anderen kwamen haastig de trap op en constateerden eenmaal boven opgelucht dat de spoorwegen ook op deze dag geen uitzondering hadden gemaakt. Voor de zoveelste keer keek ik op de perronklok. De trein was al drie minuten te laat. Nóg maar drie minuten, zou ik in elk ander geval gedacht hebben, maar vandaag leek elke minuut wel een uur en duurde het wachten eindeloos. Het binnenrijden van de trein zou een drastische omslag in mijn leven betekenen. Als hij erin zat tenminste. Stel je voor dat hij de trein gemist had of, nog veel erger, op het laatste moment besloten had deze waanzin te stoppen. Want waanzin was het. We kenden elkaar nauwelijks, vijf dagen om precies te zijn en alleen via geschreven berichten. Toch voelde het alsof we elkaar al zeker tien jaar kenden. Een gevoel dat nauwelijks te omschrijven was, al kwam “liefde op het eerste woord” misschien een beetje in de buurt. Van zijn kant tenminste. Ik was wat afwachtender. Ik zou mijn gebrek aan eetlust en slaap deze week, de dartelende vlinders in mijn buik en het zenuwachtige gevoel nooit als verliefdheid duiden. Diep van binnen wist ik dat het wel zo was, maar mijn verstand had de overhand en duwde dat gelukzalige gevoel, waar ik heel even een tinteling van had meegekregen, ver weg. Ondanks mijn aarzeling en ontkenning, was er toch ook verwachting. Ik wist dat er slechts twee mogelijkheden bestonden in onze wereld, mocht hij daadwerkelijk uit de net binnenrijdende trein stappen. De eerste was dat hij de volgende trein terug naar huis zou nemen, de tweede was dat hij zou blijven. Voorgoed. Elke tussenliggende mogelijkheid was uitgesloten.

Mijn blik bewoog zich rusteloos door de menigte, die al even rusteloos was. Haast wanhopig probeerden mensen in en uit de trein te komen. Iedereen leek erin te slagen de juiste weg te vinden en de rust keerde terug op het perron. Slechts een enkeling liep in langzaam tempo naar de trap. Plotseling hield hij me in zijn armen. Mijn verstand, dat zo hard aan het werk was geweest de afgelopen dagen verloor terrein en mijn gevoel was volop aanwezig. De vlinders stegen op en vormden een brok in mijn keel. Herkenning, liefde, een veilig, gelukzalig gevoel overmanden me. Ze vermengden zich met mijn verstand dat toegaf dat het goed was. Arm in arm liepen we het station uit. Geen denken aan dat hij de trein terug naar huis zou nemen.

Paarse Nagellak

Onze levens gescheiden door onwetendheid en onwerkelijkheid kwamen voor het eerst samen, die nacht in het openluchttheater van ons onderbewustzijn. Nog voor de voorstelling begon, verklaarden we elkaar de liefde en de romantiek spatte van de tribune toen ik vroeg of jij mijn nagels wilde lakken. Je wilde. Behoedzaam pakte je het potje lila-lak van mij aan en begon voorzichtig, haast teder mijn vingernagels te lakken. Een droom; eenvoudig, maar zinderend van verlangen zich te ontdoen van de vroege ochtendnevel en zich te verenigen met het aardse leven.

Daar stond ik, worstelend met een jurk in de slaapkamer. Ik bleek sterker en won, de jurk gleed over mijn schouders, mijn haren glansden goud in het lamplicht en de spiegel was tevreden.

Op de tribune van het theater zocht ik zorgvuldig mijn plekje uit en wist dat ik goed zat. De show begon, ik gluurde voorzichtig naast me en was niet verbaasd jou te zien. Je keek strak vooruit, je niet bewust dat mijn droom op het punt stond over te gaan in het dagleven.
Was het de vibratie van mijn bonkende hart, verlangend naar het jouwe? Waren het mijn weelderige lokken, wapperend in de wind, zoekend naar jouw zachte hand om zich omheen te wikkelen? Of waren het mijn ogen die zich met weerhaken in jouw ziel vastklonken toen jij je omdraaide en me aankeek? Jouw lippen ontvouwden de mooiste lach ooit aanschouwd en je ogen verraadden herkenning. Je legde je hand in de mijne en je wist dat jij mijn droom was.
De toneelspelers staakten hun buiging, het publiek stopte met applaudiseren. De stilte weerkaatste tegen de hemelkoepel en ik vroeg met zachte stem:”Wil jij mijn nagels lakken?” Glimlachend pakte je het potje lila-lak van mij aan en begon zachter dan in mijn droom mijn vingernagels te beschilderen.

 

Dit korte verhaal is geschreven n.a.v. een droom. Het is gepubliceerd in een e-bundel met kerstverhalen.

Voorbereidingen

Het komt steeds dichterbij. Of was ik eerder een blog met dezelfde zin begonnen? In elk geval nu nog een week en een paar dagen voor de officiële lancering van ‘Mijn oma is een engel’.
Behalve dat ik als echte vrouw heerlijk aan het piekeren ben over wat ik aan moet die dag, heb ik de presentatie inmiddels grotendeels uitgeschreven. Nu mag ik oefenen, met manlief en kinders als publiek.
Tijdens de kinderboekenweek mag ik gastlessen op de basisschool van mijn kinderen geven. De directeur en docenten reageerden enthousiast!
Ik ben zo benieuwd wat er verder nog te gebeuren staat op promotioneel vlak en natuurlijk nog meer naar de eerste reacties van lezers. Spannend, nog even en mijn zesde kindje gaat de wijde wereld in.

Intussen werk ik hard door aan “Marein” en heb ik nog een zeer kort verhaal geschreven. Dit keer niet voor één of andere wedstrijd, maar gewoon omdat ik een droom mee de dag in wilde nemen.

Excuses aanvaard

In april reageerde ik op een oproep van een kleine uitgever om een kort verhaal te schrijven.
Het verhaal was erg leuk om te schrijven en niet alleen was ik er tevreden over, het kwam ook door de keuring van twee zeer kritische proeflezers. Ik stuurde het in. Niet lang daarna bleken de redacteuren mijn schrijfsel ook goed genoeg voor de in februari te verschijnen bundel te vinden. Ik ging bijna blozen van de complimenten die ik van hen kreeg over mijn schrijfstijl. Wel zou ik een redacteur toegewezen krijgen om het een en ander bij te schaven. Dat bijschaven gebeurde een keer of drie, maar het bleek niet volledig naar de zin van de redacteuren en ze besloten mijn verhaal te schrappen. Ze maakten hierbij alleen één fout: ze vertelden mij niets over hun besluit. Na twee maanden niks van ze gehoord te hebben, vroeg ik wat hun commentaar op mijn laatste versie van het verhaal was. Daarop kreeg ik een mailtje dat ik me telefonisch zou hebben teruggetrokken omdat we het niet eens konden worden over de volgens hen noodzakelijke wijzigingen in mijn verhaal. Oei, dit klopte niet en dat vond ik, zacht gezegd, niet leuk. Na een diplomatieke mail van mij, kreeg ik gisteren een mail terug met excuses van de redacteur: ze hebben me inderdaad niet netjes behandeld! Ik heb de excuses aanvaard en ben er niet rouwig om dat mijn verhaal niet in de bundel opgenomen wordt. Ik weet dat ik een goed kort verhaal heb neergezet en ik zou sowieso geweigerd hebben het verder aan te passen op zo’n manier dat het een ander verhaal zou worden.