Schrijfpauze (+ fragmenten ‘Bloem’)

Ik heb een schrijfpauze. Niet omdat ik een schrijfdip heb, maar omdat ik superdruk ben met andere leuke dingen en die gaan nu even voor. Leuk, want hele leuke plannen. Niet leuk, want ‘María’ moet af, ‘Bloem’ moet geschreven. Het kriebelt enorm om verder te gaan met schrijven. Met Bloem zit ik ondanks de stop nog steeds zo in een flow, dat zodra ik het verhaal open, de woorden beginnen te stromen. En dat deed ik vandaag. Omdat het verhaal nu bíjna 10.000 woorden telt, trakteer ik jullie op twee fragmentjes:

Fragment 1 (Dolf, de ex van Lara, heeft hun dochter thuisgebracht. Samen eten ze voor hij weer vertrekt):

Ze snuift haar neus, schuift de stoel naar achteren en loopt naar de keuken. Tegen het aanrecht blijft ze staan. Ze zou ook eens kunnen proberen gewoon te doen tegen Dolf. Al is het maar voor Bloem. Aantrekken, afstoten. Die man haalt het bloed onder haar nagels vandaan, tegelijk maakt hij haar gek van opwinding. Volgens mij lijken jullie behoorlijk op elkaar… Hoe komt Bas erbij. Uit de keukenkast haalt ze de glazen waterkan en schenkt hem vol. Vanuit de kamer klinkt de aanstekelijke lach van Bloem. Lara draait de kraan dicht. Lief glimlachen. Voor Bloem. Verleidelijk kijken. Voor Dolf. Goede vrede. Straks Bloem douchen en insmeren met lotion, zodat ze weer naar thuis ruikt. Met de volle kan en twee glazen loopt ze naar de kamer. ‘Nog plannen voor vanavond?’
Dolf kijkt haar strak aan. ‘Niets waar jíj rekening mee hoeft te houden, liefje.’ Zijn stem klinkt zacht, kalm, zelfs lief, maar zijn ogen wijzen haar terecht, zetten haar op haar plek. Natuurlijk, het gaat haar niets aan. Niet meer. En zelfs toen het haar wel aanging, ging het haar niets aan. Dolf is vrij. Altijd geweest. Dat was precies het hele probleem in hun relatie. Nee, ze lijken niet op elkaar. Lara wil juist gebonden zijn, bij iemand horen, alles samendoen. Is dat zo? Wil ze niet alleen dat iemand aan haar gebonden is? De patat is afgekoeld en smaakt naar karton.
‘Mag ik jouwnes?’ vraagt Bloem en pikt een patatje van haar bord. Ze knikt en schuift haar bord naar Bloem.

Fragment 2:

‘Mámá!’
Lara schiet overeind, stoot haar hoofd tegen de bedrand en graait naar het nachtlampje dat naast haar bed hoort te staan. Weg. Dan beseft ze dat ze niet in haar eigen bed ligt, maar bij Bloem, die haar zachte gesnik over laat gaan in hartverscheurend gehuil. Haar hart bonst als een bezetene. ‘Meisje, meisje. Wat is er gebeurd?’
Gehuil zonder woorden.
‘Toe nou, Bloem, niet huilen.’ Ze aait het meisje – dat inmiddels dicht tegen haar aangekropen ligt – over haar rug, haar haren. ‘Sssst… wat is er toch?’ Onrust grijpt zich met tentakels vast aan haar ingewanden en rukt en trekt. Intuïtie, dame. Vrouwelijke intuïtie. Goud waard. Ze had moeten luisteren naar Merel. Naar zichzelf. Moeten kijken naar Bloem. Alziende blind.
‘Dorst.’
‘Wil je wat water? Of zal ik warme melk voor je maken?’
‘Water.’
Lara staat op, loopt naar beneden om een glas water te halen. Als ze terugkomt slaat haar hart twee tikken over, haar adem schiet naar haar keel. Het bed van Bloem is leeg.

Je nachtmerrie komt uit. Bloem. Weg. Eenzaam en alleen zul je achterblijven. Onbegrepen. Vernederd en verlaten door iedereen die je liefhad. Had je ooit wel echt lief? Hoorden ze wel bij de Goeden? Vragen, vragen. Angsten, angsten. Waanzin. Dood. Bloemetje… Bloem. Bloem. Bloemetje…

Advertenties